![]() | ||
|
|
||
|
De gevolgen van kernwapens
'In het getemperde licht van de ziekenhuiskamer dacht de zevenjarige Jimmy terug aan de dag dat hem was verteld dat hij aan leukemie leed. Hij herinnerde zich zijn moeders tranen, zijn vaders verbijsterde woede, het vreemde aanvoelen van de ziekenhuiskamer. In zijn verbeelding beleefde hij opnieuw de misselijkheid en de diarrree die werd veroorzaakt door de stralingstherapie en chemotherapie, zijn haar dat uitviel en de kinderen die hem uitlachten…Jimmy stierf zachtjes, door en door uitgeput van al het bloedverlies. Zijn celweefsel was compleet vernietigd, en hij bloedde uit al zijn openingen. Zijn bed leek net een slagveld.' 'Op 9 augustus 1945, toen de atoombom op Nagasaki werd gegooid, was Kasuko Yamashina aan het werk op twee kilometer afstand van het getroffen gebied. Hij probeerde thuis te komen nadat de bom was gevallen, maar het vuur was te hevig om het district te benaderen, dus die nacht sliep hij alleen onder een brug. Zijn huis bevond zich op een afstand van 350 meter van ground zero. Zodra de brand afnam, kon hij zijn huis bereiken en ontdekte dat zijn ouders in de hitte van 4000 graden zwart waren verkoold. Hij kon zijn broer en zus niet vinden, al wat hij kon zien waren verbrande stenen en dode lichamen. Op 15 augustus was de oorlog voorbij, maar op die dag was het lichaam van Kasuko al aangetast. Zijn tandvlees bloedde zwart, en hij kon niet lopen omdat hij hevig rilde van de koorts. In deze toestand verliet hij Nagasaki om zich in het ziekenhuis te laten opnemen in de stad waar hij vandaan kwam. Op 19 september vaardigde het hoofdkwartier van generaal MacArthur een persvoorschrift uit dat hem en de andere slachtoffers verbood om ooit over de atoombommen te praten. Ze verklaarden dat de personen die zouden sterven aan de gevolgen van de straling, dood zouden zijn tegen december 1945. Diegenen die dan nog zouden leven, zouden gespaard blijken te zijn van de straling. Niemand was echter goed op de hoogte van wat de gevolgen van straling konden zijn, zelfs niet in Japan. Pas in 1957 werd de wet ter ondersteuning van atoomslachtoffers gestemd, en Kasuko werd wettelijk erkend als een 'Hibakusha', maar hij moest onderduiken om te overleven. In 1963 had hij hoge koorts en zijn lichaam werd stijf en zwart. Pas drie jaar later kreeg hij zijn oorspronkelijke huidskleur terug, maar nog steeds leed hij 's nachts onder hevige angsten, hij hoorde de stemmen van de doden…' De verhalen van Jimmy en Kasuko zijn er maar twee van de duizenden vergelijkbare verhalen die verbonden zijn met het atoomtijdperk. De straling die vrijkomt tijdens elke fase in het productieproces van kernwapens veroorzaakt kanker, aangeboren afwijkingen, mentale achterstand, aantasting van het immuunsysteem, doodgeborenen en andere gezondheidsproblemen. Vergelijkbare syndromen zijn vastgesteld bij de arbeiders die blootgesteld worden aan straling in kerncentrales in Japan, bij mensen die in de windrichting leven van bestraalde gebieden bij Hanford, bij de kinderen van Tsjernobyl en in de gebieden dichtbij nucleaire testzones. In 1984 verklaarde het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties 'het is duidelijk dat het ontwerpen, testen, vervaardigen, bezitten en inzetten van kernwapens één van de grootste bedreigingen vormt voor het recht op leven waar de mensheid vandaag mee wordt geconfronteerd' en kwam tot het besluit dat 'de productie, het testen, het bezitten, het opstellen en het gebruik van kernwapens moeten worden verboden en erkend als misdaden tegen de mensheid.' Het slachtofferaantal is astronomisch hoog. Rosalie Bertel heeft geschat dat 'de wereldwijde slachtoffers van de stralingsvervuiling, veroorzaakt door productie, testen en gebruik van kernwapens en door het nucleaire afval, waarschijnlijk 13 miljoen bedragen.'
De productie van kernwapens heeft overal ter wereld grote delen van de bodem en het grondwater vervuild. Veel van de vervuilende stoffen, zoals plutonium, uranium, strontium, cesium, benzeen, PCB's, kwikzilver en cyanide zijn kankerverwekkend en/of mutageen en blijven schadelijk na duizenden, soms honderdduizenden jaren. Vervuilende deeltjes afkomstig van de kernwapenproductie kunnen zich over grote afstanden verplaatsen, meegevoerd door water en wind. De productie-eenheden voor kernwapens zijn sterk vervuild, op het grondgebied van de VS bevinden zich bijvoorbeeld 4500 vervuilde lokaties van het Departement Energie. De productie en het testen van kernwapens brengt onvermijdelijk met zich mee dat nucleaire stoffen weglekken. Van alle procedures in de kernwapenproductie is het testen het meest destructief voor het leefmilieu. Door de testen ondergronds uit te voeren kan men geen atmosferische vervuiling voorkomen. De radioactiviteit die vrijkomt bij bovengrondse kernproeven- waaronder plutonium, strontium, cesium, koolstof-14 en radioactief jodium- wordt verspreid over heel de wereld. Ondergrondse tests hebben de bodem en het grondwater verontreinigd. Vele vierkante kilometers grond in Rusland, Wit-Rusland en de VS zijn onbruikbaar geworden door de vervuiling van de bodem. Ook de Ierse Zee en de Noordelijke Ijszee zijn vergiftigd. In de fjorden van Moermansk liggen Russische nucleaire duikboten, waaronder sommige nog voorzien van kernkoppen, weg te roesten. Op andere plaatsen zijn de rivieren vervuild en werden open reservoirs en meren gebruikt om grote hoeveelheden vloeibaar radioactief materiaal op te slaan. In 1957 ontplofte er een afvaltank in de Russische kernwapenzone in Chelyabinsk en veroorzaakte een radioactieve wolk boven meer dan 200 vierkante kilometer van de omtrek de vervuiling van een groot landbouwgebied met veel rivieren en meren. Bijna alle bomen in de hoog-radioactieve zone werden aangetast of gingen dood. Er werd regelmatig radioactief afval gedumpt in het Karachaymeer, eveneens in Chelyabinsk. Dat meer staat nu bekend als de meest radioactieve waterplas ter wereld. De nucleaire vervuiling van het leefmilieu blijft niet beperkt tot de VS en Rusland, de twee grootste kernmachten ter wereld. Elk land dat kernwapens of kernenergie produceert heeft vervuiling van het leefmilieu veroorzaakt, niet alleen binnen maar ook buiten de eigen landsgrenzen. Voorbeelden: de kernproeven in de Stille Zuidzee, Nevada, Kazachstan, China, India en Pakistan, de water-en luchtuitstoot van kerncentrales in Groot-Brittannië en Frankrijk, en de ontginning van uranium in Namibië, Canada, de voormalige DDR en Australië. Bovendien blijft de productie van kernwapens en kernenergie vandaag kernafval produceren. De ontginning van uranium veroorzaakt de radioactieve vervuiling van de atmosfeer en besmet het leefmilieu op allerlei manieren. Verdere verontreiniging gebeurt tijdens het transport en de verwerking van her uranium. Kortom, de productie van kernwapens brengt grote hoeveelheden kernafval en de vervuiling van de omliggende gebieden met zich mee. Het opruimen van de vervuilde zones, het verwijderen van overtollige splijtstof en het ontmantelen van kernwapens zijn ook vervuilend. Er moet naar nieuwe technieken worden gezocht om radioactief materiaal, dat per ongeluk of opzettelijk in het milieu terechtkwam, terug te halen. Nucleaire oorlogsvoering zou resulteren in de grootschalige vernietiging van het milieu. Voorlopig wordt het begraven van radioactieve stoffen aangehaald als dé oplossing voor het afvalprobleem. Er zijn echter nog geen manieren gevonden om radioactief afval op te slaan op lange termijn. Men mag het onder de grond stoppen van deze stoffen niet beschouwen als een veilige berging die ze isoleert van het leefmilieu. Het valt onmogelijk te voorspellen of de vaten, de bergplaats of het gesteente errond genoeg bescherming bieden om op lange termijn radioactieve straling tegen te houden. De meest waarschijnlijke vorm van vervuiling die voorkomt bij het opslaan in gesteente is de vervuiling van het grondwater. Radioactieve stoffen kunnen uit het afval lekken en in het grondwater terechtkomen, zodat het drinkwater van zowel dichtbij-of verafgelegen gemeenschappen vervuild kan worden.
Om de gevolgen ervan te begrijpen, is het nodig om een kernoorlog te onderscheiden van een conventionele oorlog of een natuurramp. Alle factoren die het enigszins mogelijk maken om een 'gewone' noodsituatie te lijf te gaan zouden ontbreken: een beperkte schade, een beperkt aantal slachtoffers, politieke of maatschappelijke leiders die de ramp hebben overleefd, het instinct om noodhulp tot algemeen nut te verstrekken (ipv. zich alleen te bekommeren om zijn eigen gezin), de mogelijkheid om grote aantallen ervaren noodwerkers te mobiliseren, materiële voorraden, en organisatiemogelijkheden. De massale en gelijktijdige vernietiging van economische en menselijke middelen zou er voor zorgen dat er geen voldoende en onmiddellijke hulp kan worden geboden aan de getroffen gebieden. Er zou niet genoeg tijd zijn om zich aan te passen en te vernieuwen zoals men deed tijdens WOII. Het gebrek aan hulp van buitenaf zou de slachtoffers een gevoel van individuele en algemene afzondering geven. Hulp krijgen symboliseert een band met een grotere wereld waarin alles nog normaal is. Het besef van deze band zorgt voor vitaliteit en maakt komaf met het gevoel van isolatie,en draagt zo bij tot de drijfveer die nodig is om een gemeenschap weer op te bouwen. Het draagt ook bij tot de verbondenheid binnen de gemeenschap zelf, omdat een gedeeld gevoel van hoop en verwachting ontstaat. Het ineenstorten van de economie, het verlies van politiek leiderschap (vooral op lokaal niveau) en de nood aan hulpmiddelen voor steun en heropbouw zouden een buitengewone druk uitoefenen op de verzwakte politieke instellingen. Om de overlevingsprogramma's niet te hinderen, zouden de normen en de toepassing van het gerecht in sommige regio's voor langere tijd moeten worden opgeschort. Het karakter van de politieke instanties en van de autoriteiten zou bijna zeker veranderen, vooral wanneer de vijandelijkheden tegen de regio zouden blijven voortduren. Zowel de oude als de nieuwe politieke structuur zouden heel wat moeite moeten doen om geloofwaardig over te komen. De situatie in het land na de aanval zou gekenmerkt worden door de decentralisatie van de politieke macht en de invoering van meer autoritaire methoden van politieke, sociale en economische controle. Zelfs wanneer er nog geen sprake is van nucleaire oorlogsvoering kan de aanwezigheid van kernwapens de maatschappelijke en economische prioriteiten verstoren. Alle kernmachten hebben biljoenen dollars gespendeerd aan het bouwen, onderhouden en beschermen van hun kernwapens. Onnodig te zeggen dat dit geld heel wat beter kon worden gebruikt voor publieke nutsvoorzieningen zoals gezondheidszorg of onderwijs. De ontwikkeling van kernwapens maakt het bestaan van een ongrijpbare 'nucleaire elite' nodig, die bestaat uit wetenschappers, militairen en ambtenaren die grotendeels in het geheim werken om de ontwikkeling, het testen en het opstellen van kernwapens te leiden. Dit gegeven maakt dat de aanwezigheid van kernwapens en een democratisch beleid niet met elkaar te rijmen vallen. Het is mogelijk om, met betrekking tot deze problematiek, een toenemend belang van het militaire en het militarisme te linken aan een toenemende xenofobie, raciale en religieuze onverdraagzaamheid, en een mannelijk superioriteitsgevoel.
Vanuit een psychologisch standpunt betekent een kernoorlog waarschijnlijk de hel. De beeldvorming van een kernoorlog, de talloze slachtoffers en de diepe angst voor radioactieve straling veroorzaken het 'kernoorlogsoverleverssyndroom'. Dit houdt een sterk besef in van de eigen kwetsbaarheid, hulpeloosheid, schuldgevoel, afzondering en angst, en werd in meer of mindere mate vastgesteld bij de overlevenden van Hiroshima en Nagasaki. De zware psychologische gevolgen van de angst voor radioactiviteit, en 'het verlies aan vertrouwen' werden beschreven in onderzoeken naar het kernongeluk op Three Mile Island. Door de verspreiding van radioactieve deeltjes zou de indruk van nucleaire dreiging en kwetsbaarheid versterkt worden in grote gebieden. De korte tijd die maar nodig is om zeer destructieve aanvallen uit te voeren zou de emotionele impact ervan verhogen, vooral met betrekking tot ontkenningsreacties wat de werkelijke omvang van de schade betreft, en met neigingen om getroffen gebieden te ontvluchten. In zijn studie over overlevenden van Hiroshima beschreef Robert J. Lifton het psychologische effect als 'een plotse en absolute verandering van een normaal bestaan naar een overweldigende kennismaking met de dood.' Priester Siemes, een ooggetuige van de ramp, beschreef de reactie: 'Onder de voorbijgangers zijn er veel ongedeerd gebleven. Op een doelloze, gevoelloze manier, uit hun lood geslagen door de omvang van de ramp, haasten de meesten zich voorbij, zonder eraan te denken om op eigen initiatief hulp te bieden. Ze zijn enkel bezorgd om het welzijn van hun eigen gezinnen.' In sommige gevallen werden gezinnen zelfs in de steek gelaten. De ervaring liet een diepe angst na om terug te keren naar de steden en weer een zo normaal mogelijk leven op te bouwen na de aanval. Families werden uiteen gerukt door de dood, erge verwondingen, ziekte, evacuatie, of militaire- en andere dienstplicht. Kinderen, ouderen en gehandicapten hadden buiten elke proportie te lijden, omdat zij het meeste afhankelijk waren van materiële en institutionele voorzieningen. In Groot-Brittannië tijdens WOII vielen er beduidend meer slachtoffers door verwaarlozing onder de kinderen en de bejaarden. Het verlies van materiële en institutionele hulpmiddelen na aanvallen op woon-en werkgebieden zou het overleven na de aanval moeilijk maken zowel voor individuen als voor groepen, en de psychische spanningen van de aanval zelf verergeren. Het zou de slachtoffers heel zwaar vallen om zelf maar in hun eigen meest simpele basisbehoeften (voedsel, onderdak en kleding) te kunnen voorzien. De hele naoorlogse generatie leefde in een continue angst- die soms werd verwoord als 'onder de dreiging van de paddestoelwolk'- die een invloed had op het toekomstbeeld van de mens. Deze angst, die als een deken van het noodlot vooral de leefwereld van kinderen overschaduwde, is een kwaad op zich en zal blijven bestaan zolang er kernwapens bestaan. De jongste generatie moet opgroeien in een klimaat van hoop, niet van de vrees dat het ooit kan gebeuren dat hun leven in een zucht voorbij is, of hun gezondheid en degenen die hun lief zijn hen afgenomen, door een oorlog waar hun land zelfs niet hoeft aan deel te nemen. Een nucleaire strategie vereist een mentaliteit die niet terugschrikt voor volkerenmoord. Er zijn belangrijke overeenkomsten tussen nucleaire strategieën en de nazipraktijken die mensen naar de gaskamers voerden. Deze 'genocidale mentaliteit' bestaat uit dissociatieve mechanismen van de geest: 'geestelijke gevoelloosheid' en de 'taal van het gevoelloze' samen met emotionele afstandelijkheid, een ideologische ethiek en een passie voor het oplossen van problemen kunnen ervoor zorgen dat mensen hun geestelijke nuchterheid bewaren terwijl ze de meest krankzinnige daden stellen. Om hun krankzinnige en boosaardige strategieën geloofwaardig aan de man te brengen, moeten regeringen bovendien de bevolking psychologisch bewerken. Dit houdt in dat men de vijand demoniseert. Tijdens de Koude Oorlog bijvoorbeeld werden de Russen gedemoniseerd, zodat men het rechtvaardig vond om hen in bepaalde omstandigheden zeer snel om het leven te brengen, uit vergelding voor iets dat hun regering 'misschien' had gedaan. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Friends of the Earth Vlaanderen & Brussel (voorheen Voor Moeder Aarde) is lid van Friends of the Earth International