|
|
 |
Is technovoeding de oplossing voor boeren in het zuiden?
Naar aanleiding van het congres van Croplife publiceerde u op 9 juni een artikel met als titel "Technovoeding moet honger voorkomen". Uit dit artikel zou de lezer kunnen afleiden dat er een brede consensus bestaat over de noodzaak om op korte termijn zwaar te investeren in gentechnologie. Met name "nieuwe zaden, met betere eigenschappen" zouden volgens Croplife nodig zijn om het probleem van honger en voedselonzekerheid aan te pakken. Met een brede waaier organisaties willen we hierbij een andere stem laten horen. Croplife stelt zich voor als een internationaal netwerk van de "plant science industry". Tot voor kort heette dat netwerk Global Crop Protection Federation (GCPF), een netwerk van pesticidenproducenten waarover. Hun belangrijkste rol is om eisen tot terugneming van oude, nu verboden pesticiden af te weren. Een half miljoen ton ervan ligt vooral in Derdewereldlanden te rotten, als een chemische tijdbom.
Dit artikel gaat over zaaigoed, een groeisector voor de Croplife-leden, nu pesticidengebruik steeds strenger gereglementeerd wordt.
Om duidelijk te zijn: er is helemaal geen consensus over het nut van deze "technovoeding", noch over de veiligheid ervan. Boerenorganisaties en NGO's in de Derde Wereld en veel regeringen van ontwikkelingslanden blijven zich ertegen verzetten. Maar ze kunnen niet op tegen de lobbymachine van deze supermachtige transnationale ondernemingen. Dit is geen overdrijving. Amper vijf firma's beheersen zowat de hele markt van genetisch gemanipuleerd zaaigoed, en dat is een eerste groot nadeel van de technozaden. 90% van de technozaden vandaag bevatten technologie van Monsanto. Wereldwijd sparen meer dan 1.4 miljard mensen de mooiste zaden uit hun oogst als zaaigoed voor het volgende seizoen. Op het technozaad rust meestal een patent, wie dat terug inzaait riskeert een boete.
En de lobby begint effect te sorteren. Op internationale fora, zoals de G8 en de Wereldvoedselorganisatie FAO spreken onze beleidsmakers steeds vaker over een nieuwe technologische revolutie voor de voedselonzekere landen. Nochtans is FAO zich wel bewust van de adders onder het gentech-gras. Men beseft daar dat er niet zoveel macht geconcentreerd zou mogen zijn bij die vijf firma's, men suggereert dat die firma's iets concreets zouden moeten doen voor het Zuiden. Zou, zouden,… bijzonder vrijblijvend. Het uitgangspunt voor giganten als Monsanto is hun eigen winstmaximalisatie, voor hen zijn arme boeren geen prioriteit. Het is dan ook naïef te verwachten dat de industrie zijn genetisch onderzoek zal toespitsen op de noden van de arme boeren in Afrika en Azië, zoals FAO vraagt. Voor hongerbestrijding in ontwikkelingslanden met een agrarische economie zijn boerengezinnen wel de eerste doelgroep, ze zijn arm en ze zijn met veel. Naar schatting 70% van de 1.2 miljard allerarmsten leven op het platteland. Hun gemiddelde dagelijks inkomen, inclusief voedselproductie voor eigen gebruik, bedraagt minder dan 1 euro per dag. Zij hebben geen toegang tot dure zaden, geen kredieten om investeringen te doen,…Hun grote probleem is dat ze meer zouden moeten kunnen verdienen met het deel van de oogst dat ze verkopen. Maar die prijzen zijn schandalig laag, als gevolg van een machtsspel dat de rijke landen spelen op de wereldvoedselmarkt.
Dumping en goedkope export van basisvoedsel naar het Zuiden zijn nefast voor het inkomen en de bestaanszekerheid van boeren in ontwikkelingslanden. Wat heb je aan technologie als er geen leefbare prijs betaald wordt voor je producten? Als je vandaag geen toegang hebt tot bestaande technologie, zal je die dan morgen hebben voor gentechnologie? Veel kritiek dus op de voorstellen om sterk in te zetten op gentechnologie als oplossing van het hongerprobleem. De prioriteit ligt elders, is politiek-economisch van aard. Om armoede te verlichten zijn andere handelsregels nodig dan de huidige, want die zijn op het lijf geschreven van rijke landen die hun landbouwexport subsidiëren en tegelijk tegen de arme landen zeggen: doe je grenzen maar open voor onze producten. In die context zal technozaad de dumping eerder doen toenemen dan een echte oplossing te bieden. Want vooral de grote voedselproducenten -en dat zijn niet langer boeren maar agro-firma's, zullen méér produceren en méér willen exporteren, dus blijven lobbyen om markten in het Zuiden open te breken en zelfs exportsubsidies te laten stijgen.
Zelfs voor de minder arme landbouwers is het raadzaam om niet afhankelijk te worden van externe inputs en om zoveel mogelijk te werken met lokale hulpbronnen. Uit onderzoek van de universiteiten van California en Essex blijkt dat kleinschalige ecologische landbouwsystemen hoge opbrengsten kunnen voortbrengen. Er is daarbij een veel betere risicospreiding en stabiele vooruitzichten. Onze aanbeveling aan de beleidsmakers hier en in het Zuiden is dan ook: investeer in echte kansen voor de kleine boeren, werk met hen samen voor onderzoek en voorlichting en beleid rond duurzame familiale landbouw. Zorg in de eerste plaats voor stabiele prijzen die alle productiekosten dekken, inclusief arbeid.
Gert Engelen en Jan Vannoppen, Vredeseilanden (lid van Coalitie tegen de Honger)
Anke Hintjens, Oxfam Wereldwinkels
Esmeralda Borgo, Bond Beter Leefmilieu
Wendel Trio, Greenpeace België
Geert Fremout, Vlaams Overleg Duurzame Ontwikkeling (VODO)
Jonas Vanreusel, FIAN België
Patrick De Ceuster, Wervel
Peter Suy, Vlaams Agrarisch Centrum (VAC)
Bart Meylemans, Bevrijde Wereld (lid van Coalitie tegen de Honger)
Lieve De Kinder, Voor Moeder Aarde
|